- finish
- n. eind; afwerking; polijsting--------v. eindigen; afwerken; afmaken; opmaken; afwerken; wegwerken; polijstenfinish1[ finnisj] 〈zelfstandig naamwoord〉1 beëindiging ⇒ einde, voltooiing2 〈sport〉finish ⇒ einde, eindstreep3 afwerking ⇒ 〈in het bijzonder〉 glans, lak, vernis♦voorbeelden:1 be in at the finish • 〈figuurlijk〉bij het einde aanwezig zijn(fight) to the finish • tot het bittere einde (doorvechten)————————finish2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 eindigen ⇒ tot een einde komen, uit zijn2 finishen ⇒ de eindstreep bereiken, de finish bereiken3 uiteindelijk terecht/uitkomen ⇒ belanden♦voorbeelden:1 the film finishes at 11 p.m. • de film is om 11 uur afgelopenfinish off with • eindigen metwe used to finish up with a glass of port • we namen altijd een glas port om de maaltijd af te rondenshe must have finished with Jamie • ze schijnt het uitgemaakt te hebben met Jamiewe have finished with that firm • we hebben geen (zaken)relaties meer met die firmaI haven't finished with you yet, my girl • ik ben met jou nog niet klaar, meisjehe has finished with your dictionary: you can have it back • hij heeft je woordenboek niet meer nodig: je mag het terug (hebben)2 Tom finished second • Tom is tweede geworden3 he will finish up in jail • hij zal nog in de gevangenis belandenII 〈overgankelijk werkwoord〉1 〈vaak finish off〉beëindigen ⇒ afmaken, een einde maken aan2 〈vaak finish off, finish up〉opgebruiken ⇒ opeten, opdrinken3 afwerken ⇒ voltooien, de laatste hand leggen aan4 appreteren ⇒ hoogglans geven aan, aflakken♦voorbeelden:1 finish (off) a book • een boek uitlezen3 finish (up) cleaning • ophouden met schoonmaken¶ 〈informeel〉 the last lap nearly finished me (off) • de laatste ronde was mij bijna teveel
English-Dutch dictionary. 2013.